Een dag voor de herdenking mocht ik live in de uitzending van Omroep Lekstroom mijn verhaal komen doen. We hadden een mooi gesprek over mijn boek, over de geschiedenis en over de komende herdenking.
Mijn mascotte was er niet bij, mijn boek natuurlijk wel. Veel mensen hadden belangstelling, maar het was natuurlijk niet het juiste moment om het te verkopen. Hopelijk kopen ze het in de winkel :-)
Indië Herdenking 2026
Wie ben ik en waarom sta ik hier vandaag? Elja heeft mijn naam al genoemd. Ondanks mijn niet-Indische achtergrond heeft de koloniale geschiedenis mij van jongst af aan geboeid. En dan ging het mij, naast de historische feiten, nog meer om de mensen. Hoe keken de inheemse mensen aan tegen de Hollandse aanwezigheid in Nederlands-Indië? Hoe leefde de baboe, de djongos? Ik wilde de voormoeders van de Indo-Europeanen in beeld krijgen. Hun leven was niet alleen bepaald door het samenzijn met een blanke man, ze hadden daarvóór al een leven en daarna nog steeds. Wanneer het tot een breuk kwam met de Nederlandse man verdween de inheemse voormoeder in veel gevallen uit de boeken. ‘Verdwenen in de kampong’ heette het dan. Maar het leven ging door voor die vrouw. Daar ben ik naar op zoek. Ik wil haar niet laten verdwijnen in de kampong, maar ik wil haar juist volgen in de kampong. Zo is mijn boek tot stand gekomen. Zo heb ik mij jarenlang verdiept in de geschiedenis en van daaruit wil ik mijn gedachten met u delen.
Oost is Oost en West is West
We herdenken vandaag 15 Augustus 1945. Ieder van ons doet dat op de eigen manier, vanuit het eigen perspectief. Er zijn in Nederland zo’n 2 miljoen mensen met een familieverhaal dat verbonden is aan voormalig Nederlands-Indië. Indo’s, Molukkers, Papua’s, Chinezen, totoks (Nederlanders die daar langere tijd gewoond hebben) en veteranen die daar gediend hebben. Allemaal verschillende perspectieven en er is niet altijd begrip voor elkaar. Met het herdenken proberen we dat onbegrip te doorbreken en daarbij moeten we breder kijken dan het eigen perspectief.
15 Augustus is de dag van de Japanse capitulatie. Daarmee was de ellende nog lang niet afgelopen. Net zomin als die bij de Japanse inval was begonnen. Om de pijn te begrijpen die veel families nog diep in het hart zit, moeten we onder ogen durven zien dat die pijn voortkomt uit een veel langere periode dan drieënhalf jaar Japanse bezetting. Er ging maar liefst drieënhalve eeuw kolonialisme vooraf aan de geweldsexplosies van de jaren 40. Dat geweld was niet alleen de Japanse bezetting, direct daarna volgde de bloedige bersiaptijd en tenslotte kwamen er nog twee politionele acties waarin Nederland vocht voor het behoud van de kolonie. Die driehonderdvijftig jaar zijn evenzovele zwarte bladzijden uit de Nederlandse geschiedenis. De schaduwzijde van het kolonialisme is geen favoriet onderwerp in de geschiedenisboekjes. Dat de Gouden Eeuw van het Westen nooit mogelijk was geweest zonder de exploitatie van het Oosten, is veel te lang buiten beschouwing gelaten.
De Britse schrijver Rudyard Kipling schreef ooit een ballade waarvan de eerste zin beroemd geworden is: ‘East is East and West is West and never the twain shall meet.’ Vrij vertaald: Oost is Oost en West is West en nooit zullen die twee bij elkaar komen. Een dergelijke openingszin vraagt om misverstanden. Je kunt je erbij afvragen: Hoezo nooit bij elkaar komen? Oost en West hébben elkaar al ontmoet. Ze zijn zelfs nauw verweven met elkaar. Maar het was wél vanaf de start een verbinding van ongelijkheid en verdeeldheid. Een verdeeldheid die helaas tot op de dag van vandaag nog voelbaar is.
15 Augustus 1945 was de dag van de Japanse capitulatie. We kijken met verontwaardiging naar de Japanse bezetting, en dat is terecht. Velen van ons hebben hun ouders of grootouders zien worstelen met de afschuwelijke herinneringen aan de jappenkampen, waar een mensenleven minder waard was dan het leven van een vlieg. Met een handvol dode vliegen kon je tenminste nog in een goed blaadje komen bij de jappen. Tienduizenden mensen hebben het leven gelaten in die kampen. Omgekomen door ontberingen, ziekte, honger en mishandeling.
Er zijn kasten vol boeken geschreven over de hel van de interneringskampen en over de dwangarbeid van de Nederlanders aan o.a. de Birma-Siam Spoorweg en de Pakan Baru Spoorweg. De beelden die in die getuigenissen worden opgeroepen zijn zo gruwelijk dat ze bijna te heftig zijn om te lezen. Erger kan het niet, zou je denken.
Maar het kón nog erger. Slechts zijdelings komen in de literatuur de romusha’s ter sprake, de inheemse dwangarbeiders. We weten daar maar heel weinig van, terwijl dat in die tijd toch ook Nederlandse onderdanen waren. Dat waren er miljoenen. Ook zij werkten aan de aanleg van vliegvelden, bruggen, transportwegen, bunkers, vechtputten en in de mijnen. Strikt gescheiden van de Hollanders verrichtten ze het voorbereidende werk. Ze leefden in vergelijkbare omstandigheden, maar nóg onmenselijker. In veel gevallen moesten ze zelf voor een dak boven hun hoofd zorgen en na een uitputtende werkdag zelf hun kostje bij elkaar zien te scharrelen, van sprinkhanen en bessen. Ze hadden geen wapens om mee te jagen, zo ze er fysiek nog toe in staat waren, wat niet zo was. Er was geen medische verzorging. Als ze erbij neervielen was er niemand die hen opraapte. Ze bleven liggen waar ze lagen en als ze geluk hadden, stierven ze snel. Hun sterftecijfer lag nog vele malen hoger dan dat van de Westerse dwangarbeiders. Van de Pakan Baru spoorweg is bekend dat het dodental onder de romusha’s opliep tot wel 80%!
15 Augustus was helaas geen punt achter een nare tijd, het was slechts een komma in een geschiedenis die nog een heel eind doorliep. De oorlog was voor velen nog lang niet voorbij. Het duurde nog wekenlang voordat in alle interneringskampen het nieuws van de Japanse capitulatie doordrong. Daarna duurde het nog lang voordat de mensen naar huis konden, en de situatie bleef uiterst explosief. De vrede was nog ver weg. Er vloeide nog een hoop bloed voordat Nederland afstand deed van de kolonie. Toen het eindelijk zover was, bleken de kaarten totaal anders geschud te zijn. Grote groepen mensen zaten in het nauw gedreven, voelden dat ze niet langer een plekje hadden in hun land. De meeste Hollanders vertrokken met gezwinde spoed naar Nederland, maar wat moesten de Indo’s die zich altijd met de Hollanders hadden geïdentificeerd? Ook zij richtten hun blik op Nederland. Maar Nederland had na de oorlog geen plaats voor nog meer burgers, eigenlijk al niet eens voor zijn eigen burgers. Dat ervaarden ook mijn ooms en tantes die een oprotpremie kregen om naar elders te vertrekken. Toch kwam de exodus op gang vanuit de voormalige kolonie. Met een onbeschrijflijk groot verdriet en diepe verbittering in hun hart verlieten de mensen hun land. En hier werden ze geconfronteerd met onwil en betutteling. Voor hun oorlogservaringen vonden ze geen gehoor. Hun trauma’s telden niet. Nederland had zijn eigen oorlog te verwerken en de luitjes uit de Oost moesten niet zeuren. Ze hadden het tenminste niet koud gehad daar in dat tropenzonnetje.
Het speldje dat draag, beeldt het rood-wit-blauw uit van de Nederlandse vlag en het rood-wit van de Indonesische vlag. Het is maar een heel bescheiden speldje. Die bescheidenheid past mij want ik ben mij ervan bewust dat het rood-wit van de Indonesische vlag gemengde gevoelens oproept. Veel aanwezigen van vandaag, hun ouders of grootouders, hebben het land verlaten vanwege die Indonesische vlag. Hun trouw aan rood-wit-blauw heeft hen naar Nederland gebracht. Ze moesten wel want Nederlands-Indië had opgehouden te bestaan.
Vandaag is het 81 jaar geleden dat de Japanse vlag werd neergehaald. De atoombommen op Hiroshima en Nagasaki deden Japan eindelijk capituleren. Het rood-wit-blauw mocht weer wapperen. Maar niet voor lang. Twee dagen later werd een andere vlag in de mast gehesen: het merah-putih, het rood-wit van het Indonesië van Soekarno, haastig in elkaar genaaid door Fatmawati, de echtgenote van Soekarno, uit een wit beddenlaken en een lap rode stof. Soekarno proclameerde de onafhankelijkheid.
Het hele uitgestrekte gebied, al die eilanden, al die verschillende bevolkingsgroepen, al die culturen, al die talen, al die religies, ze hadden tot dan toe één ding gemeen gehad: de Nederlandse vlag had er gewapperd. Maar dat was voorbij. Soekarno stond na de proclamatie voor de immense taak al die verscheidenheid binnen één natie te verenigen. Bhinneka Tunggal Ika, Eenheid in Verscheidenheid. Daar kon hij geen opstandige gebieden bij gebruiken. Wie niet vóór hem was, was tegen hem en kon maar beter vertrekken.
Ik heb nog een vlag bij me, iets groter dan het speldje, maar dat komt toevallig zo uit. Dit is de vlag van de Republiek Zuid-Molukken. Nogmaals: Soekarno kon geen opstandige gebieden gebruiken. Dat hebben de Molukkers gevoeld. Ambonezen werden ze toen onder een verzamelnaam genoemd. De trouwe Ambonese KNIL-soldaten zaten verspreid over de hele archipel. Ze hadden tegen de Japanners gevochten en hun leven gewaagd voor het Nederlandse Koningshuis. Toen de Japanners verslagen waren, vochten ze mee met de Nederlanders tegen de Indonesische nationalisten. Waar moesten ze naartoe toen de koningin in december 1949 de soevereiniteitsoverdracht ondertekende? Ze wilden niet bij het Indonesië van Soekarno horen. Wat ze wel wilden was een eigen staat: de Republiek Maluku Selatan. De RMS. Het waren goed getrainde soldaten en Soekarno zat er niet op te wachten dat ze massaal naar de opstandige Molukken zouden terugkeren. Sterker nog: hij verbood het. Nederland zat ermee in z’n maag. Het had een belofte gedaan aan de Molukkers, maar kon die belofte niet waarmaken. De Molukse soldaten en hun gezinnen moesten dus maar zolang mee naar Nederland, dat leek de enige oplossing. Omdat het om een tijdelijke oplossing ging, mochten veel soldaten niet eens hun hele gezin meenemen. Er bleven oude vaders en moeders achter, er bleven kinderen achter bij familieleden, want het was toch maar tijdelijk. Maar die tijdelijkheid is een permanente staat geworden. Sommige gezinnen zijn nooit meer herenigd. Hartverscheurend!
Ik heb nog een derde vlag bij me. De vlag van Irian Jaya ofwel West-Papua, vanouds bekend als Nieuw-Guinea. Had Nederland iets van het Molukse debacle geleerd? Nee, want ruim een decennium later bond het de strijd aan met Soekarno over Nieuw-Guinea, het laatste stukje van de kolonie dat nog onder Nederlands gezag viel. Tot 1963 maar liefst. Soekarno wilde Nieuw-Guinea hebben, Nederland wilde het niet loslaten en de Papua’s vertrouwden erop dat Nederland hen niet in Indonesische handen zou laten vallen. Er is bitter gestreden aan de onderhandelingstafels met Indonesië, Amerika en de Verenigde Naties. Inzet was het zelfbeschikkingsrecht van de Papua’s, maar onder de oppervlakte speelde het gezichtsverlies mee dat Nederland had geleden met het opgeven van de kolonie. Men gunde Soekarno dat laatste stukje niet. En ook wilde Nederland als maritieme mogendheid nog graag een factor van betekenis zijn in de Stille Oceaan. Uiteindelijk moest Nederland onder grote internationale druk terugtreden en de Papua’s aan hun lot overlaten. Van het beloofde recht op zelfbeschikking kwam ook nu weer niets terecht en het zelfstandige West-Papua blijft een pijnlijke droom.
En hier staan we dan met al onze verschillende verhalen. Ik heb geprobeerd de geschiedenis vanuit meerdere perspectieven te belichten, maar noodgedwongen heb ik ook dingen moeten laten liggen. Niet ieder gebied dat in opstand kwam tegen Soekarno is aan de orde gekomen. Niet alle Molukkers zijn of waren RMS-strijders, niet iedereen afkomstig uit Nieuw-Guinea is Papua. Ik ben niet toe gekomen aan de Chinese gemeenschap en niet aan de KNIL-veteranen. Evenmin ben ik toegekomen aan de jonge generatie die op zoek is naar antwoorden, maar dat wil niet zeggen dat ik hun zoektocht niet belangrijk vind. De antwoorden die zij zoeken hebben we hard nodig voor een beter begrip vanuit álle perspectieven.
Terugkomend op Kipling hebben we gezien dat Oost en West elkaar al lang geleden ontmoet hebben en verstrengeld zijn geraakt in een hoogst ongemakkelijke geschiedenis. Kan het zijn dat Kipling iets ánders bedoelde met zijn beroemde zin? Misschien dat Oost en West elkaar niet zouden begrijpen? Op dat vlak valt er nog een hele hoop te winnen. Wie de tijd neemt Kiplings ballade tot het eind te lezen, ontdekt na vele regels wat hij juist heeft willen laten zien: scheidingsmuren als afkomst, ras en religie vallen weg wanneer moedige mensen elkaar met respect in de ogen kijken en elkaar open en eerlijk willen ontmoeten.
Ik hoop dan ook oprecht dat onze verbintenis er in de huidige tijd een van openheid en betrokkenheid mag zijn met aandacht en begrip voor elkaar.
Kabar Angin
Tot slot een gedicht van een Nènek, een oma en haar cucu, haar kleinkind over heimwee, verlangen en hoop.
Er is een droomboom van tropisch allerlei
wie wil er, wil niet, wil toch mee met mij
de durian, de zuurzakvrucht
de ananas, genotsgezucht
Kabar angin, het geruis op de wind
kriebelt mijn oor als de kus van een kind
Nènek, hoor ik een gefluister
Nènek, hoor dan, en ik luister
De wind vertelt een nieuw verhaal
van houtskoolvuur en avondmaal
de bries vertelt een oud gedicht
van ochtendgeur en schemerlicht
ik zie weer het landje met kemiriebomen
waar ik als kind in zat te dromen
Mijn cucu fluistert, hij drijft langzaam weg
ik weet dat hij luistert, maar niet hoort wat ik zeg
Wie komt er, komt niet, komt toch met me mee
We vinden mijn cucu in de droomboom aan zee
stil houdt hij zijn vinger tegen zijn lippen aan
luister Nènek, laat de wind nu maar gaan.





